Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenschappen, die de landbouwdieren in eene bepaalde streek bezitten, althans ten deele daaraan worden toegeschreven i).

Toch kunnen deze en gene veranderingen en hare overerving tot eene ontaarding leiden, die het geheele ras in gevaar .brengt.

Eene keuze van de parende dieren, zooals dit op natuurlijke wijze in het wild en bij het aanfokken kunstmatig geschiedt, moet daarmede dus hand aan hand gaan, eensdeels om de gewenschte verkregen eigenschappen te bevestigen, anderdeels de niet gewenschte buiten te sluiten.

Daarbij dient wel onderscheid gemaakt te worden of het fokdier, waaraan de bestaande of verkregen eigenschappen worden waargenomen , tot een ras, slag, stam of familiè behoort, waarvan de verschillende dieren eene voldoende overeenkomst vertoonen, of zoo als men 't noemt, conform zijn en in hunne overerving getrouw, dat is constant zijn, dan wel of het een toevallige verschijning is in eene diergroep, waarvan de afzonderlijke dieren weinig conform en waarvan niet bewezen is dat zij in hunne overerving constant zijn. In het eerste geval toch mag men aannemen, dat de goede eigenschappen welke aan het fokdier worden waargenomen, die van het ras, slag enz. zijn en zich hier in een hoogeren graad vertoonen; dat dus ook het overervend vermogen of zooals men 't noemt de Individualpotenz daarvan grooter zal wezen, dan in het tweede geval, waarbij door terugslag nakomelingen met allerlei eigenschappen kunnen optreden en het overervend vermogen of de Individualpotenz dus minder zeker is.

3. Grondregels voor het aanfokken. Op grond van hetgeen in het voorgaande is medegedeeld omtrent wat bekend is geworden aangaande de overerving en van hetgeen de ervaring verder omtrent het aanfokken heeft geleerd, heeft men eenige regels, die bij het aanfokken in acht genomen moeten worden, kunnen vaststellen.

De belangrijkste daarvan zijn:

!) Zie over den invloed van bodem en klimaat op een dier: Reinders , Handboek, III Deel bl. 85.

Sluiten