Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwikkeld uier, het voortbrengen van veel wol met eene ruime huid, die op sommige plaatsen in plooien het lichaam bedekt, enz.

Verkeerd is het echter aan deze uitwendige kenmerken onvoorwaardelijk te hechten. Wenschelijk blijft het altijd ook de verrichtingen zelve zooveel mogelijk na te gaan, b.v. van melkvee niet enkel of het de kenteekenen van goed melkvee bezit, maar ook of een daarvoor bestemd fokdier werkelijk veel en vette melk geeft, enz. Omgekeerd kan men zich op de verrichtingen niet geheel verlaten. Een rund b.v. dat veel melk geeft, kan grove gebreken in den vorm of aanleg voor de eene of andere ziekte bezitten, waardoor het als fokdier ongeschikt is.

In het algemeen heeft men dus bij het beoordeelen van fokdieren onderscheid te maken tusschen:

A. kenmerken, die aan een groep van dieren (ras, slag, stam enz.)

eigen zijn en

B. Individueele kenmerken, dat wil zeggen die welke meer voor

elk dier afzonderlijk gelden.

Kennis van de eerste is in het algemeen noodig, zoowel bij het. kruisen als bij reine teelt, die van de laatste komt vooral in aanmerking bij het verbeteren of veredelen in de bijzondere gevallen. Beide moeten samengaan; en de beoordeeling naar de laatste is als het ware eene aanvulling van die naar de eerstgenoemde kenmerken.

A. Als raskenmerken komen vooral in aanmerking:

a. De kleur van huid en haar, zoowel van 't geheele lichaam als van de bijzondere deelen, b.v. den neusspiegel. Het Friesche en Hollandsche rundvee is meest zwartbont, het Groningsche meest zwart met witten kop of zwartblaard en wit aan het buikgedeelte van den romp, het I.Jsel-vee meest roodbont; bij het Shorthornvee komen slechts witte en roode kleuren in verschillende schakeeringen en afwisseling voor, enz. Niet bij alle veesoorten wordt echter aan de kleur evenveel waarde gehecht. Uit een landbouwkundig oogpunt is zij ook vaak minder van gewicht, soms enkel luxe; bij runderen is de witte kleur, wegens de nadeelige inwerking van de zon, minder gezocht.

b. Hoedanigheid der wol, bij schapen.

c. De afmetingen. Er zijn groote en kleine rassen. \ ooral bij

Sluiten