Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men dit dus niet terug in de uitwerpselen, en wel in den regel des te meer naarmate zij jonger, dus b. v. in jong gras, en nog weinig of niet met houtstof als in de verhoute cellen vermengd is. Dit schijnbaar verteren van een gedeelte der celstof wordt veroorzaakt door gistingen, ten gevolge eener inwerking van bacteriën, waarbij zij zich splitst in koolzuur en moerasgas (darmgas), soms naar het schijnt ook in azijnzuur, boterzuur enz. De eerste twee gassen hebben voor de voeding geenerlei waarde en de laatstgenoemde producten kunnen als vloeistoffen in 't bloed overgaan, maar hunne voedingswaarde is zeer onzeker. Ook omtrent den invloed der warmteontwikkeling bij deze splitsing en verdere verbranding en het nut of het nadeel van de bacteriën daarbij is weinig bekend. Het nut der celstof meent men dan ook minder te moeten zoeken in de directe voedingswaarde. Niemand denkt er ook aan om linnen of katoen en dergelijke stoffen, die uit nagenoeg zuivere celstof bestaan, als voedermiddel te .gebruiken, herder meent men het nut te moeten zoeken in de prikkeling die het ruwvoer, waarin zij veel voorkomt, op het darmkanaal uitoefent, en dat zij andere stoffen als zetmeel en suiker tegen de inwerking van bacteriën beschermt. Is namelijk weinig of geen celstof aanwezig, dan oefenen de genoemde bacteriën hare ontledende werking op de andere koolhydraten uit, en doen hieruit de nietswaardige producten als koolzuur en moerasgas of de minderwaardige als azijnzuur enz. ontstaan. Directe proeven hebben verder geleerd, dat bij paarden de celstof van geenerlei nut is voor de directe voeding, aangezien hare ontleding hier vooral in den blinden darm geschiedt en de vertering der zetmeel- en suikerachtige stoffen reeds in het voorafgaand gedeelte van het darmkanaal heeft plaats gehad, zoodat zij geene beschutting meer noodig hebben. Ook bleek uit proeven van Wolfp, dat paarden, door voeding met celstof, geen kracht meer kunnen ontwikkelen, omdat door het kauwen enz. voor de vertering zooveel arbeid verbruikt wordt, dat er geen nuttig effect uit voortvloeit. Bij de herkauwende dieren is het iets anders. Deze zijn bij hunne voeding op meer ruwvoer aangewezen en de ontleding van de celstof heeft daarbij

7*

Sluiten