Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel klavers in voor, dan kan het gehalte aan eiwitachtige stoffen stijgen tot 4 a 4.5%; van oud gras en schrale weiden is het gehalte lager. De voederwaarde van het gras eener weide moet dus beoordeeld worden naar den aard der planten, den graad harer ontwikkeling enz. Zie ook hieronder bij hooi.

Minder uiteenloopend is natuurlijk de samenstelling van het gras eener enkele grassoort, b'. v. Raaigras, Timotheegras enz. ofschoon ook deze naar den bodem en het tijdperk van groei kan verschillen.

b. Klavers en andere leguminosen. Hiervan vermelden wij vooreerst de Roode klaver en Luzerne, die in den herfst tot weide maar in den voorzomer meer tot stalvoedering dienen, vooral op d& kleigronden. De Luzerne heeft boven Roode klaver dit voor, dat zij langer aangehouden en iets vroeger en vaker gesneden kan worden. Zij lijdt echter meer door nachtvorsten en wordt eerder hardstengelig dan Roode klaver. Vooral van deze klaversoorten geldt, dat hoe ouder des te armer aan eiwit en des te minder gemakkelijk verteerbaar zij worden. Dit laatste blijkt uit de volgende verteringscoëfficiënten. Men vond dat deze zijn voor:

de eiwit- het de stikstof- de on-

achtige vet vrije extract- zuivere

stoffen. stoffen. celstof.

Roode klaver kort voor den bloei 73 62 76 55

„ „ begin van den bloei 74 71 77 56

„ „ in vollen bloei 67 63 70 48

„ „ tegen't einde v. d. bloei 59 45 71 36

Over 't geheel zijn de klavers en andere leguminosen rijker aan eiwitachtige stoffen dan de andere voedergewassen. Vooral zijn zij rijk daaraan in jeugdigen toestand. Daarbij dient echter in 't oog te worden gehouden, dat de hoeveelheid amiden dan grooter is en in Roode klaver op 1/4—1/3 van het onzuivere eiwit geschat kan worden; en daar deze amiden geheel verteerbaar zijn, moet daaraan ook ten deele de grootere verteerbaarheid van de eiwitachtige stoffen in jonge klaver worden toegeschreven. Met het voederen van zeer jonge klaver moet men voorzichtig zijn, daar

8*

Sluiten