Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rekening wordt gehouden met de aschbestanddeelen van het voeder. Proeven hebben b.v. geleerd dat kalver op een leeftijd van 5 è, 6 maand dagelijks per hoofd in hun lichaam opnemen: 16.9 gram kalk en 21.6 gr. phosphorzuur. Zijn de dieren jonger dan zal dit iets minder, maar zijn zij ouder dan zal het tot den volwassen leeftijd toe iets meer wezen. Daarbij werd waargenomen, dat wanneer genoeg phosphorzuur en kalk in het voeder aanwezig was, het bij het voeder gevoegde phosphorzure kalk niet werd geassimileerd; zie de noot op bl. 95; wel had dit plaats wanneer het voederrantsoen geene toereikende hoeveelheid daarvan bevatte. Zoolang het kalf met melk en melkproducten, nevens hooi of gras wordt gevoederd, zal genoeg van beide aanwezig zijn, en ontvangt een jong rund op den leeftijd van 10 a 12 maand goed hooi en haver, dan mag men aannemen dat ook in de noodige aschbestanddeelen wordt voorzien: 1 kg. haver bevat gemiddeld 6.8 gram phosphorzuur en slechts 1 gram kalk; 1 kg. goed grashooi daarentegen 4.3 gram phosphorzuur en 9.5 gram kalk. Maar worden veel mangelwortels gegeven en daarbij meer stroo dan hooi gevoederd, dan kan er gebrek, in de eerste plaats aan kalk ontstaan: 1 kg. mangelwortels bevatten slechts 0.8 gr. phosphorzuur en 0.3 gr. kalk; 1 kg. haverstroo 2.8 gr. phosphorzuur en 4.3 gr. kalk. Bij gebrek aan kalk kan het toevoeren van eenig geslibd krijt, b.v. 10 a 20 gram per hoofd en per dag, en is er ook gebrek aan phosphorzuur, het bijvoeren van eene dergelijke hoeveelheid phosphorzure kalk (zie bl. 95) gewenscht zijn.

Niet zonder belang is verder het kaligehalte van het voeder. Kali blijft wel niet zoo als de phosphorzure kalk in de beenderen opgehoopt, maar bij de bloed- en vleeschvorming speelt phosphorzure kali eene belangrijke rol; en naarmate meer bloed en vleesch gevormd worden is er ook meer kali noodig. Daarbij schijnt er eene nauwe betrekking tusschen been- en bloedvorming te bestaan, zoodat datgene wat de eerste bevordert ook de tweede ten goede komt en omgekeerd. De gunstige werking van een kalirijk voeder, als boonen, op den groei van jonge dieren kan daarmede in verband staan. Niet onvermeld mag hierbij blijven, dat naast eene doel-

Sluiten