Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbranden van stikstofvrije stoffen het arbeidsvermogen verkregen wordt, en dat dus voor werkdieren in de eerste plaats stikstoivrije voedingsstoffen noodig zijn, en de stikstof houdende slechts dienen voor het onderhoud der spieren enz. Zoo eenvoudig is de productie van arbeidsvermogen echter niet. Uit latere proeven is ook gebleken, dat bij aanhoudenden arbeid mede meer stikstof houdende stoffen worden omgezet, maar dat dit vooral geschiedt wanneer niet genoeg stikstofvrije stoffen in het bloed of in het voedingsvocht aanwezig zijn. Bovendien wordt dit arbeidsvermogen niet verkregen door eene eenvoudige verbranding als in eene stoommachine. Er hebben bij het verrichten van arbeid verschillende omzettingen plaats, alvorens de eindproducten der verbranding: koolzuur en water, gevormd worden. Die omzettingen geschieden in de spieren of in het voedingsvocht dat de spieren omgeeft, waarbij tevens stoffen als melkzuur ontstaan, die daaruit verwijderd moeten worden. Daarvoor is een krachtige bloedstroom noodig en is eene aanhoudende toevoer ook van eiwitachtige stoffen onmisbaar. Verder is voor het verbranden zuurstof noodig, en voor den aanvoer daarvan zijn niet alleen goede longen maar is ook eene krachtige bloedstroom, om ze naar de weefsels te voeren, dienstig.

Men kan dit zoo uitdrukken dat voor het verrichten van arbeid en vooral van aanhoudenden arbeid, het dier zich in een goeden voedingstoestand moet bevinden en in dien toestand moet gehouden worden. Moge ook het eiwit, zooals Liebig bet voorstelde, niet de eigenlijke bron van de spierkracht zijn, toch is het levende eiwit der spiercellen als het ware de machine waardoor het scheikundig arbeidsvermogen der stikstofvrije voedingsstoffen onder gunstige omstandigheden in mechanisch arbeidsvermogen wordt omgezet. Die machine moet daartoe groot, dat is het lichaam moet rijk aan eiwit zijn, teneinde die omzetting tot stand te brengen. De practijk weet dienaangaande ook onderscheid te maken tusschen paarden die, hoofdzakelijk met hooi gevoederd, schijnbaar zich in een goeden voedingstoestand bevinden, maar den arbeid niet zoo goed kunnen volhouden of eerder vermageren dan die, welke naast hooi eene voldoende hoeveelheid haver

Sluiten