Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luidloos. Eene zwartgrijze kraai strijkt langs den grond; een ekster, balancéerend met den langen staart, rust uit op een hek.

En wijd , wijd , zoover uwe oogen zien kunnen , schitterende, reine, ongerepte witheid.

Ongereptheid is het, die in een winterlandschap het meest bekoort. Beeld is zij van kuische zinnen en onbedorven phantasie. Van reinheid, een natuurlijke afkeer van al wat vuil en gemeen is. Een pantser als van Andersen's sneeuwkoningin, waarlangs dubbelzinnige geestigheden afglijden, zonder kwaad te doen. Een juist en scherp oordeel, aanstonds duidelijk onderscheidend tusschen zuiver en bezoedeld. Een ingeschapen weerzin tegen gemeene taal, tegen fatsoenlijke en onfatsoenlijke wulpschheid , tegen ruwe smerigheid en fijnstbeschaafde onzedelijkheid. En een onwillekeurige aandrang om zich ver te houdep van wat de zinnen prikkelt, en de oogen te sluiten, gelijk Rebecca zich naar de wijze haars lands in haren sluier wikkelt, als haar in het veld tegemoet wandelt, die haar bruidegom wezen zal.

Reinheid is een schild, waarachter een mensch welbewaard is, maar dat onder onophoudelijke slagen versplinteren kan en bezwijken. En het is zeer noodig, onder al onzen politieken en socialen strijd, onder ons jagen en streven naar gewis zeer begeerlijke staatkundigeen maatschappelijke goederen, te gedenken, dat meer dingen nog der moeite waardig zijn te worden verworven en verdedigd , te worden bewaard voor verkwijning of ondergang.

Sluiten