Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

u uitgaan, en is bezig zijn vuilaardig werk te doen — maar altijd onzichtbaar, wèlverborgen.

Daarom is hij zoo laf. Hij kan veilig gaan. Wie zal hem ontdekken? Wie zal het booze praatje aanwijzen, terugvolgen tot den mond, waaruit het voor het eerst te voorschijn kwam? Kwaadsprekers wagen niets. Voor het plegen van andere zonden heeft iemand nog een soort van moed noodig, overmoed, roekeloosheid, wat gij wilt. Voor deze zonde is niets noodig dan de booze lust. Elke lafaard is er toe bekwaam. Een paar woorden loslaten, een schouderophalen is voldoende — en de laster begint zijne noodlottige reis. Maar die hem voortbracht blijft veilig. Wie kent hem? Wie kan hem ter verantwoording roepen? Dante heeft in zijne Hel ook den lasteraars eene plaats bereid,

„In één spelonk vereend bij duizendtallen.

n Een stank walmde uit dit graf,

„als had een vuile pest ons overvallen," 1

maar in werkelijkheid hebben zij maar zelden te vreezen. Zij wonden ten doode, maar worden zei ven niet gewond.

En altijd is laster leugenachtig. Indien hij 't booze al niet eenvoudig verzint, althans breidt hij 't uit; bij ieder volgend station is het praatje uitgedijd en ieder voegt er het zijne aan toe. Soms is het met voorbedachten rade gemaakt, zonder ook maar een schijn van

1. XXIXe Zang, 10—12. Vertaling Ten Kate.

Sluiten