Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en draagt het geld af. Een gulden houdt moeder achter voor haar menuplaisir, en vader vloekt, dat het vannacht zoo weinig is geweest. Margien en Femmegien liggen onderwijl in de andere bedstede, vast in slaap, een zware slaap van geheel-op-zijn.

Na een paar uur wordt de oudste wakker, ziet rond, en met de uitdrukking op 't gezicht van iemand, die eindelijk een vast besluit genomen heeft, staat zij behoedzaam op, trekt jak en rok aan , sluipt naar buiten en gaat naar de stad. De anderen slapen als blokken zoo onbewegelijk.

Margien stapt moedig en beslist het politiebureau binnen en vraagt naar den commissaris. Zij wordt bij hem toegelaten, en eerst aarzelend van de ongewoonte zulk een lang verhaal te doen, maar al flinker verhaalt zij met woorden, akelig van niets ontziende duidelijkheid, wat het leven is van haar en hare zuster.

De ambtenaar, die een welwillend man is, vraagt namen. Ja, hij kent vader en oom wel. En waarom wil Margien ineens niet langer? Het meisje verhaalt verder, dat vóór enkele jaren, in eene andere streek van het land, vader en moeder een vonnis hebben gehad. Toen hebben menschen haar en hare zuster ergens in een gesticht gebracht. Daar hadden zij 't heel goed. Maar op een dag — daar was moeder terug. Moeder had het gansche huis bijeen geschreeuwd en er was een oploopje voor de deur geweest en moeder had met tranen geroepen, dat men haar haar meisjes onthield. Er hielp

Sluiten