Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den aanvoerder der oproerlingen, die tegen de stad waren opgetrokken, bij ongeluk gevangen. De snijder uit het sprookje, op zijn hollend paard, grijpt zich vast aan de jonge wilgeboomen langs den weg, en hij rukt (in zijne woede zeggen de toeschouwers) er éen uit den grond. Zoo worden verlegen menschen onwillig grof en zeggen u ruwe dingen in 't gezicht, of hun toon klinkt boos of verwaand ; ook doet hunne bedeesdheid hen optreden met eene houding, die allerminst de hunne is, eene onnatuurlijke, overspannen brutaliteit; maar die hen niet kennen, ergeren zich er aan en hebben hun oordeel gereed.

Weder anderen worden onhandig en onbeholpen. Als zij hunne «entrée de salon" maken, kunt gij zeker zijn, dat zij struikelen over 't efifenst vloerkleed en gaan zitten, waar zij juist in den weg zijn. Het theekopje, dat zij overreiken zullen, is nimmer dichter bij zijn dood geweest, en hoeveel malen zij zich stooten aan de gaskroon, is niet op te tellen. Ook zullen zij domheden zeggen in overvloed en anderen kwetsen in kleine gevoeligheden, schoon zij de goedhartigste lieden van de wereld zijn, maar alleen, omdat zij zichzelven niet zijn en hunne zelfbeheersching verloren.

Misschien is het heel natuurlijk, dat deze lijders den lachlust wekken; zeker is het heel onbarmhartig. Hier is niet iets aardigs. Het is droevig. Dat de brutalen zoo vaak de halve wereld inhebben is een verschijnsel, waaraan men zich maar met moeite gewent en waar-

6

Sluiten