Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dacht; half wrevelig, omdat zij er niet ernstiger over dacht. De heerlijke lentedagen misten voor hein hunne bekoring; zijne vroolijke kinderen snauwde hij af en haalde hen dan, in wroeging, weder aan ; zijne gezellige studeerkamer gaf hem geen vreugde en zijne betrekking, die hij met ijver en liefde waarnam, was hem tot een last. Hij leefde in een droom , alsof hij alles door nevelen , vaag, zag en leefde maar half, soezend door de dingen heen gaande, aldoor maar gekweld door dien angst voor tering, door visioenen van zichzelven slap, mager, uitgeteerd zien , van afscheid nemen van vrouw en kinderen , van. . . nog veel akeliger dingen. De dokter had hem beklopt, beluisterd, gezegd, dat hij een borstkas had als van een zeeman zoo breed, en longen als blaasbalgen zoo stevig, en langzamerhand was toen de vrees geweken. Maar hij voelde wel, dat zijn goede naam tegenover den geneesheer er onder leed, dien hij al zoo dikwijls had geraadpleegd, telkens om eene inbeelding. En het was hem toch telkens te machtig. Het was tragi-komisch te zien, hoe hij in zulk eene periode zijnen dokter zocht tegen te komen en hem dan weer, als hij hem zag aankomen, ontweek; hoe hij hem aansprak, telkens willende beginnen van zijne kwaal, dan weder niet durvend , zich schamend en afscheid nemend, zonder er van te hebben gerept, wel wetend, dat er geen werkelijk gevaar was, en toch zóó angstig, dat hij wel eiken dag den dokter zou willen laten komen, als het maar telkens een ander kon zijn, een die hem niet kende,

Sluiten