Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring. Haar hoofdje op hol gebracht, denk ik, door eene vriendin, die vacantie had uit haren Haagschen dienst en lange verhalen had gedaan van prachtige winkels, schitterende uniformen, bonte livreien, beweging en gewoel, veel geld verdienen, dienstboden, maar als juffrouw aangesproken, als juffrouw gekleed en uitgaande des Zondags in vroolijk gezelschap. De noodlottige trek uit de kleine steden naar Den Haag, Utrecht, Haarlem, Amsterdam, aangelokt door wondervolle aanbiedingen, in de hand gewerkt door de groote vraag, omdat de mevrouwen gaarne meisjes hebben uit de provincie, die zoo eenvoudig zijn, niet waar, zoo onbedorven nog, zoo arbeidzaam; door het groote aanbod ook, omdat de hoogere loonen en het vroolijke stadsleven velen de reis doen ondernemen en hare kans wagen. En zoo zien wij ze gaan, jaarlijks, uit de provincie naar de groote steden; noodlottig, niet omdat daar alleen en hier geen kwaad zou zijn. Het is overal, even lokkend, even listig en daarna even wreed en onbarmhartig. Maar omdat de kans op redding veel minder is in groote centra, waar men elkander verliest onder de menigte, de een den ander niet kent, de steun ontbreekt van het eigen huis, van maag en vriend.

Zoo was dan Lieuwkje onrustig geworden, ontevreden omloopend met dit verlangen, ééne in de rij van duizenden, die begeeren naar het onbekende en het bekende niet waardeeren. En eindelijk hadden zij haar laten gaan ; „geen vaderlijke tranen, geen moederlijk gebed" konden

Sluiten