Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boom door God zeiven ontstoken; de velden toegedekt onder smettelooze sneeuw: eene blanke oneindigheid; warmroode gloed uit de vensters der huizen van verre, en rondom de stilte, geluidloos, vredig: een kerstnacht schooner dan de dagen.

Bij ons sprookje behoort, dat binnen de blijdschap zij van het familieleven. Met velen, die ons zeer lief zijn, moeten wij ons kunnen schikken om het vuur. En ik wil niet, dat het heden is eene vulkachel, zeer practisch, zeer nuttig, maar karakterloos en zonder bekoring, doch een haard, waarin eene vaardige hand de turven en blokken stapelt, kerstblokken, waartusschendoor de vlammen spelen en lekken zullen en in het vuur waarvan wij staren zullen als in eene onuitputtelijke bron onzer fantasie, als in een grillig spel van gedachten en herinneringen. Maar te zamen. Ons Kerstsprookje wil niet tieren en fleuren in eenzaamheid en verlaten-zijn. Een kring onzer dierbaren oud en jong, drie geslachten bijeen om het vuur, en in aller hart de warmte der innige genegenheid, in het gemoed de verteedering van bij-elkander-zijn, al is het slechts voor eene pooze misschien , zooals de platen in de kerstmisnummers van sommige tijdschriften ons dat afbeelden. lusschen grootvaders knieën staat zijn blondlokkig kleindochtertje en beiden staren zij in de vlammen , hij met zijne herinneringen en zijne dankbaarheid, het kind in het welbehagen van den avond van gezelligheid. Naast de vrouw des huizes haar oudste zoon, en wat zij zien in het vuur zijn toekomstbeelden van geluk en wel-

Sluiten