Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegening hebben vervuld, zien wij hun aangezicht, dat ons zoo dierbaar was. . . totdat ons de oogen vochtig worden en het in duizend schemerschijntjes dansen gaat voor onzen blik. De bron onzer tranen is niet verdroogd, en Kerstsprookje doet ze rijkelijk vloeien.

Andere kerstavonden, andere sprookjes. Die, welke wij niet zeiven doorleefden, maar ons door kunstenaars werden verteld, opdat duizenden daaraan hun hart verkwikken zouden. Dickens' vertellingen van Scrooge en den geest van Jacob Marley en van de nieuwjaarsklokken en van den bezeten man. En Frits Reuters Juulavond in paster Behrends vredig huis, waar frü Pastern de dorpskinderen onthaalt op appelen en noten en koek en boeken en gepaste vermaningen, en waar Frans von Rambowr voor 't eerst de bekoring ondergaat van Lowisings groote, schoone kinderoogen en waar de slede voortglijdt in den kerstnacht1. Of van den braven konrekter en kanter Apinus in Nigen-Bramborg, die aan Dürten Holzen op den heiligen kerstavond zijne oude Manchesterbroek ten geschenke geeft, omdat alleen een hondsvot meer geeft dan hij heeft, maar ééne voorwaarde is er nog bij : tot Pinksteren moet hij haar nog dragen en dan mag Dürten er een spenser uit maken of als dat niet gaat een nieuwen, fluweelen hoed3. Geprezen de man, die ons deze dingen vertelde, die ons deze figuren schiep, zoo naïef, zoo bekoorlijk, zoo frisch en onschuldig, die

' „Ut mine Strointid" I, kap. 7.

2 „Döi'chlauehting", kap. 2.

12

Sluiten