Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de omgang met den man bewezen was, hetzij door zijn eigen bekentenis, hetzij door alle mogelijke wettelijke middelen. Zoodra sterke vermoedens tegen denman bestonden, kon de vrouw den zoogenaamden zuiveringseed van hem eischen; durfde hij dien niet aan, zijn vaderschap werd voor bewezen gehouden.

Grappig is de uiting die ik vond in een proefschrift over dit onderwerp. »Man en vrouw konden ook tegelijk in het proces aanbieden om den eed af te leggen; in dit geval werd de verklaring van den man natuurlijk boven die der vrouw gesteld«. Dat «natuurlijk« uit de pen van den jeugdigen doktor in de' rechtswetenschap spreekt boekdeelen. —

In sommige plaatsen b.v. Enkhuizen, Haarlem, Kampen was aan de vroedvrouw uitdrukkelijk voorgeschreven dat ze aan de ongehuwde vrouw den naam van den vader onder eede moest afvragen. De verklaring der vroedvrouw, dikwijls door andere vrouwen als getuigen bijgestaan, was in het proces van groot gewicht. In Vlaanderen heerschte het zonderling gebruik, dat een onwettig kind onmiddellijk na de geboorte met veel ostentatie naar den beweerden vader werd toegedragen.

Nog later wordt de vader van den onderhoudsplicht ontslagen, ingeval hij de gemeenschap der ongehuwde moeder met derden kan bewijzen.

Dergelijke verordeningen golden in ons land, en tot 1809 werd aan de Paternitatsklage niet getornd. Toen in dat jaar het wetboek Napoleon ingericht voor het koninkrijk Holland werd ingevoerd, bleef het vroegere recht vrijwel gehandhaafd. Art. 263 luidde: Een onecht kind kan tegen zijn vader geen ander recht dan alleen tot levensonderhoud inroepen.

Met de inlijving bij Frankrijk in 1811 werd de Code

Sluiten