Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren de inzichten weer veranderd, toen het ontwerp van den Code Civil 9 jaar later bij den Raad van State werd ingediend. De motieven vinden we in de redevoeringen der verschillende ambtenaren in de wetgevende vergadering van 11 Maart 1803. Een hunner verklaarde: Sinds lang zijn de paterniteitsactiën door de publieke opinie veroordeeld. De rechtbanken worden er door blootgesteld aan de meest scandaleuze discussiën, zij leiden tot de meest willekeurige vonnissen, tot de meest varieerende jurisprudentie. De man, wiens leven rein geweest is, die grijs is geworden onder de beoefening aller deugden, is niet veilig voor den aanval eener schaamtelooze vrouw of van kinderen die hem vreemd zijn. Dit soort van laster laat altijd treurige sporen achter. In één woord, het onderzoek naar het vaderschap wordt beschouwd als een geesel der maatschappij.

En een ander voerde aan dat »brutale menschen van de laagste klasse door allerlei intriges getracht hebben zich in de beste families te doen opnemen.«

Wanneer dit zoo geweest is, is daarmede eene veroordeeling uitgesproken van het beginsel, of wel van de wijze waarop het is vastgelegd ? M. i. alleen van het laatste. Beginsel moet zijn de belangen van het kind te behartigen; is dit eenmaal volwassen, dan is geen actie meer noodig en daarmee zou de onzin dat een avonturier zich in een aanzienlijke familie tracht in te dringen vanzelf vervallen. Niet /amïfóerechtelijk, maar slechts vermogensrechtelijk moet de verhouding zijn die tusschen vader en buitenechtelijk kind bestaat. En de eisch tot onderhoud moet berusten bij den Staat zelf, bij de geboorte van ieder buitenechtelijk kind.

Ik stel me dit ongeveer zóó voor:

De Staat benoeme in een aantal plaatsen van ons land een man of vrouw van erkende capaciteiten en

Sluiten