Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Handelingen zijn volgepraat over de prostitutie, en toch zeker de handhaving van art. 342 een der bronnen is waaruit deze zich voedt. Dat de spreker met een kluitje in 't riet werd gestuurd spreekt van zelf, want »deze regeering kon niet geacht worden te zijn opgetreden om een dergelijk vraagstuk tot oplossing te brengen.« In de zitting van '97—'98 diende Minister Cort van der Linden het ontwerp tot wijziging in; de begeleidende Memorie van Toelichting verklaarde dat »in de laatste jaren de openbare meening krachtig opgekomen [is] tegen het bestaande verbod van het onderzoek naar het vaderschap. Gewekt door de woorden van enkelen heeft het volksgeweten verzet aangeteekend tegen een wettelijke regeling die het onschuldig kind verongelijkt. Uit naam der gerechtigheid en uit naam der zedelijkheid heeft men gevraagd ook naar recht voor het onechte kind.«

Dit neemt niet weg dat we nu nog even ver zijn, dat alweer 25.000 buitenechtelijke kinderen in dien tusschentijd aan hun lot zijn overgelaten.

Ongelukkig haalde het ontwerp veel meer overhoop dan noodig was; »het gaf een volledige regeling van de afstamming van buitenechtelijke kinderen, terwijl de omstandigheden waar het uit voortkwam niet meer verlangden dan eenige bepalingen waarin aan het buitenechtelijke kind zekere rechten worden gewaarborgd tegen zijn verwekker.« Het wetsontwerp lokte tal van critieken uit, waaronder een uitvoerige verhandeling van den Staatsraad Rochussen. Drie jaar later gaf laatstgenoemde een meer algemeen werk in 't licht. Dit boek is voor zoover ik na kan gaan vrijwel door de pers doodgezwegen; alleen de Nieuwe Courant en Het Weekblad voor het Recht gingen er uitvoerig op in. Geen wonder; want hoe voortreffelijk ook bedoeld, de soms verbijsterende stijl en de hier en daar

Sluiten