Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blad voor Letterkunde, mogen we daarheen de belangstellenden zeker verwijzen.

De Voorz. dankt Ds. Tichelman voor dit schoone referaat en geeft gelegenheid, om met hem van gedachten te wisselen.

De heer Johs. Visser heeft niet anders dan lof voor 't gesprokene, hij wil alleen een kleine opmerking maken over 't verschil tusschen een portret in olieverf en in photographie. Het eerste behoeft in nauwkeurigheid niet achter te staan bij het laatste. En de photographie is werkelijk niet zoo nauwkeurig als de Referent zich voorstelt.

De heer Pelleboer vraagt, of het niet mogelijk is, dat bij dergelijke referaten wat minder vreemde woorden worden gebruikt. In de tweede plaats wil hij vragen: is het wenschelijk, dat we in onze afdeelingen werken van de „nieuwere" letterkunde bespreken, of moeten we ons bepalen tot die van bekend christelijke schrijvers. Spr. heeft verstomd gestaan, dat op een Ringwedstrijd een werk van Marie Corelli als prijs werd gegeven. Zoo iets mag in onze kringen niet.

Ds. Van Noort brengt namens allen dank aan den Referent voor zijn tintelend-schoon stuk. (Applaus.) Hij heeft dingen gezegd, die we allen wel wisten, maar die bizonder schoon zijn gezegd. Naar aanleiding van de opmerkingen van den vorigen spreker wijst ZEerw. op 't verschil tusschen het beoordeelen van werken van Marie Corelli en het toekennen er van als prgs.

De Referent beantwoordt de sprekers, den laatsten 't eerst, om hem te danken voor diens waardeerende woorden.

Den heer Visser antwoordt Spr. met bescheidenlijk tegenover zoon deskundige de vaan te strijken, maar meent toch, dat ook zijn opponent, door op de uitdrukking der oogen te wijzen, die bij de photographie meestal te wenschen overlaat, mede heeft toegestemd dat in de photographie de persoonlijkheid minder leeft dan in een goed geschilderd portret.

Den heer Pelleboer stemt Spr. toe, dat er wel wat vreemde woorden zijn gebruikt, maar dat dit moeilijk anders kon. Of er ook werken der „nieuwere" moeten beoordeeld worden ? Spr. meent van wel, maar met groote omzichtigheid en vermijding van 't geen daarin beslist verderfelijk is.

De heer La Maitre maakt de opmerking, dat we met dit referaat weer^ in een kentering gekomen zijn._ Vroeger was de meening bij de Comm. v. Letterkunde veel gunstiger over de werken der „nieuwere." Spr. brengt in herinnering de beschouwing, daarover vroeger door Dr. de Moor in deze sectie geleverd. Nu wil Spr. even mededeelen, dat zijn kunstbeschouwing niet die van den Referent is. Waren te voren diens gedachten in hoofdzaak bekend gemaakt, dan had men zich op een bespreking daarover kunnen voorbereiden. Nu waagt Spr. zich daaraan niet, maar deelt alleen mee, dat hij in waardeering van de „nieuwere" tegenover den Referent staat.

De \ oorz. merkt op, dat het hem ook opgevallen is, dat de geachte Referent zich niet zeer gunstig over de „nieuwere" rich-

Sluiten