Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Pelleboer gelooft, dat dan het voordragen wat te veel op den achtergrond komt. Juist door het reciteeren van een gedicht toont iemand, of hij 't gedicht begrepen heeft. Spr. wil een middenweg. Zeker, noodig is flinke opstellen maken, maar noodig is ook goede voordrachten te kunnen leveren. En hierin is 't nog menigmaal droevig gesteld, wat bij wedstrijden meer dan eens beschamend is gebleken.

De Voorz. is 't er van harte mee eens, dat onze menschen allereerst goed moeten leeren lezen, want dit kunnen de meesten, wanneer ze lid der afd. Letterkunde worden, nog niet. En dit wordt verkregen niet door 't voordragen van een enkel stukje, maar door voortdurend luid lezen. Dit moet vooral in onze afd. in praktijk gebracht.

De heer Zeverboom zegt, dat het hem nu duidelijk geworden is, dat het voordragen niet een ondergeschikte, maar een hoofdrol moet vervullen.

De Voorz. sluit zich hierbij aan met de opmerking, dat ook de voorlezing van een opstel een goede voordracht moet zijn.

Hij sluit hierover de discussie en stelt „Bezoekstelsel en Maandblad" aan de orde.

De heer Pelleboer vraagt naar de bedoeling van het Bezoekstelsel. De heer Ds. Tichelman antwoordt hierop, dat de oorspronkelijke bedoeling is, zwakke afdeelingen voort te helpen, maar niet openbare lezingen te houden.

De heer Geuzebroek stelt de vraag: kunnen ook afd. des Verbonds, die geen afd. voor Letterk. hebben, bezoek van een Commissielid ontvangen?

Zeker, antwoordt Ds. Tichelman, maar deze afd. moeten het dan vragen, daar zij geen circulaire van de Comm. ontvangen.

De Voorz. dankt allen voor hun betoonde belangstelling en spreekt de hoop uit, dat de besprekingen van heden middag onze afd. ten zegen mogen zijn. Op zijn verzoek gaat Ds. Tichelman voor in dankgebed.

RINGEN- EN PROVINCIALE COMMISSIES.

De vergadering werd geleid door den heer W. Liotard, die in zijn openingswoord na gebed, wees op de verandering, welke in de Comm. voor de Ringen had plaats gevonden. Daarna verleende hij 't woord aan den heer Hoogwerf, zijn mede-commissielid, voor diens referaat „a 1'improviste" uitgesproken. Onderwerp was:

»MOET ELKE PROVINCIE EEN PROVINCIALE COMMISSIE HEBBEN? EN WAARTOE ?«

Wat in de Chr. Jong. Vereen, de leden en in den Ring de Vereenigingen voor elkaar moeten zijn, dat dienen in de Prov. Comm. de Ringen te wezen voor elkander : een hand en een voet op den levensweg en anderen, die nog buitenstaan, ten zegen.

Sluiten