Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wensch: schenke God, Die in den hemel woont, ons zulk een samenkomst op aard, dat de aanraking van den hemel wordt oevoeld en naar den wensch van den vorigen Bondsdag te Zwolle, tde dag aan het Swarte Waeter weder worde een Witte dag!"

De dag aan het Swarte Waeter een Witte dag! Maar dan moet het schoone doel ervan ons onbeneveld, helder en klaar voor den geest staan.

Wij komen op een Jaardag bijeen en staan bij een mijlpaal op den weg van het Bondsleven stil. Deze dag is een dankdag; of heb'ben wij God niet voor veel te danken?

O, voorzeker „te roemen is * mij niet oirbaar , ik kom tot de algemeene waardeering van onzen arbeid onder de christenheid in&Nederland. Ja, de tijd van duffe consistoriekamers en armzalige vergaderlokaaltjes raakt steeds meer voorbij en Kempis': „meteen boekske in een hoekske" is steeds minder het ideaal; het Verbond wordt een machtig verschijnsel in onze dagen. Maar zijn de christenen in Nederland er nu meer dan vóór eene halve eeuw diep van doordrongen, dat de Chr. Jongelingsvereeniging, vroeger bespot, een onmisbare leer- en oefenschool is voor den jongen mensch en reeds als een zuurdeesem werkt in de maatschappij ? Mag het Verbond, op het Gouden Jubilé meer voor het voetlicht gekomen en gerechtvaardigd voor de rechtbank der publieke opinie, nu ook rekenen op de sympathie en den steun van invloedrijke christenen in ons vaderland? Moet het, ondanks de gewaardeerde hulp van sommigen, die in 't voorste gelid voor het Verbond streden, na 57-jaren nóg niet dikwerf het woord overnemen van den Koning, Dien het dient: „ben ik zóó langen tijd met u en hebt gij mij niet gekend"? Speelt het jammerlijke: „onbekend maakt onbemind" ons nóg geen looze parten en moet het Verbond nog niet altijd winnen in populariteit? „Wat ik niet weet, daarvoor ben ik, maar maak ik ook niet heet".

Maar gaan wij zei ven daarbij vrij uit? Als wij de hand in eigen boezem steken, slaan wij ze dan ook niet met eene bekende bede op de borst ? Kleefden zonden ons dan niet aan, beantwoordde onze ijver altijd aan ons hooge ideaal ? Stonden wij altijd op onzen post, woekerden wij met de talenten, ons toevertrouwd, en was er onder onze 11.000 nooit iemand, die voor zijn pond alleen maar omzag naar den zweetdoek, dien tiij dan ook, helaas! tóch niet noodig had? Ja, moest de Koning soms niet vragen, omdat er ook al o-etwist werd, wie de meeste zou zijn: „waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg?" Neen, ik aarzel niet op dezen jaardag als uw Voorzitter de diep-ootmoedige verklaring af te leggen: „het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat ook het N. J. V. niet is vernield."

En als nu onze arbeid tóch merkwaardig vruchten droeg, het aantal afdeelingen en leden naar luid van het Verslag wies, onze periodieken eene toenemende lijst van abonné's toonen, het steeds stijgend getal correspondenten' en prov. organisaties het terrein zag uitbreiden, er reeds sprake was van een zomerkamp, de arbeid

Sluiten