Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mannen op onderscheiden gebied. Maar de Thorbecke's en de Feith's ga ik voorbij evengoed als de Willem Bartjens e.a., ik laat zelfs de Thomas a Kempissen, de Serné's en de Yermeersrusten, om slechts bij één stil te staan, bij den criticus-dichter en schrijver Everhardus Johannes Potgieter. Terecht staat op het voetstuk van zijn borstbeeld zijn spreuk uit zijne „Eene Halve-Eeuws Wake", die in haar geheel luidt:

Wat nieuwe vorm de wereld beidd',

U geldt nog, 't zij ge juicht of schreit:

„Onsterflijk maakt de Oorspronklijkheid!"

Daarop leg ik den nadruk. Alleen wat oorspronkelijk is, blijft; het afgeleide sterft. Het Verbond is de vrucht van het Réveil en als men deze vrucht afsnijdt, gaat zij, hoe goed ook bedoeld, dood, ja is zij het reeds. En het zal niets levends uitwerken, of men haar hangt aan een kerkelijken boom; noch de boom noch de vrucht is er mede gebaat. Ik versta de plaatselijke omstandigheden wel en weet ook: steeds zal de vrucht meer de kleur aannemen van de streek, waar zij groeit. Maar dat verbreekt de eenheid niet, evenmin als de menschheid ophoudt één geslacht te zijn, al zijn ook de rassen onderscheiden. Het Verbond is ook niet een mechanisme, dat in elkaar is gezet, maar een organisme, dat in elkaar is gegroeid, vastgegroeid. Zijn grondslag is ook niet door menschen maar door God gelegd. Terecht schreef eenmaal onze Bondsvader: „wie ons aanvallen en veroordeelen, zal daartoe overvloedige aanleiding vinden. Maar veroordeelt men onzen grondslag, zoo gaat dat in de eerste plaats óns niet aan; want het is Gods Woord en wat overeenkomstig dat Woord is gebouwd, is Zijn werk; voor geen partij of leuze, voor den Heere Jezus Christus zijn wij werkzaam onder jongelingen, voor Hem, voor Hem geheel, voor Hem alleen willen wij hen winnen in den bloei des levens."

Kan het duidelijker en beslister? Maar het Verbond blijve dan ook aan zijn oorsprong getrouw en niemand verstore, ook niet in naam eener kerk, een werk, door Gods Geest in deze landen gesticht. Het Verbond is en blijve één: tot die eenheid moet ieder lid mede werken, van den geringsten herdersjongen op de Drentsche heide tot de wethouders, raadsleden, advocaten, bankiers, doctoren, baronnen en prinsen en wie al niet in onze groote steden toe. Het "Verbond is en blijve algemeen, om steeds meerderen van Neèrlands jongelingen ten zegen te zijn, nationaal, vrij: het Nederlandsche Jongelingsverbond!

Voor de heilige rechten van dat ook mij geliefd Verbond kom ik in deze ure op. Er van zwijgen wil ik niet. Grondwetsherziening hangt tegenwoordig wel wat in de lucht. Gelukkig wekken bondsvoorzittersreden echter ook nog sensatie, wanneer daarin „forsch" het oorspronkelijk beginsel wordt aangetast. De voelhorens van de Nederlanders, ook van de jonge, zijn gelukkig niet nog stomp geworden of afgesleten. Wij gevoelen, waar het om gaat: de eenheid in ons Verbond. Als uw Bondsvoorzitter hoop ik dat nooit te vergeten en met de andere gewaardeerde bootslui het scheepje te

Sluiten