Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. § 1. De Germaansch-Roineinsche tijd (Tot 400 n. €.).

In lang vervlogen tijden, toen de westelijke streken van Nederland uit water en moerassig bosch bestonden, was een groot deel des lands door ruwe volksstammen bewoond. Men meent, dat het Kelten waren. Van de Kelten zijn misschien eenige Hunebedden afkomstig, reusachtige steenlioopen, geplaatst op de graven der aanvoerders. Behalve de urnen, waarin de asch der verbrande lichamen bewaard werd, heeft men hieronder bijlen, hamers, pijl- en speerpunten gevonden , alle uit vuursteen gemaakt. Dit volk kende dus de bearbeiding der metalen niet.

In den tijd, dat de beroemde Romeinsche veldheer Julius Caesar in Gallië en België vocht (ongev. 50 v. C.), bewoonden niet meer Kelten, maar Germanen ons land. Vreemd zagen de Romeinen op, toen zij met het land en de leefwijze van de Germaansche stammen in deze streken en het overige Germanië kennis maakten. Steden waren er niet: in ommuurde plaatsen werden de Germanen door een gevoel van angst overmeesterd. Zij woonden in open dorpen, de huizen niet onmiddellijk aan elkaar geplaatst, maar door een tuin en eene omheining van andere gescheiden. De huizen, uit boomstammen opgetrokken, waren voorzien van een rieten of strooien dak, waaropr 's winters eene laag mest gelegd werd. De rook trok opwaarts door eene opening in het dak, welke tevens als venster dienst deed, zoodat het vertrek altijd in halfdonker gehuld was. Zoo armelijk de

Sluiten