Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willem IV, een man van grooten ijver, in het bezit van vele kundigheden, was middelmatig als staatsman en had een ongestadig en weifelend karakter. Zoo kon hij aan de verwachtingen des volks niet beantwoorden.

Een deel des volks, democraten gelieeten, eischte invloed op het bestuur, en aan dien wensch is Willem niet te gemoet gekomen. Slechts heeft hij hier en daar de vroedschappen veranderd, maar ook te dezen opzichte niet flink doorgetast, zoodat vele zijner vijanden aan het bewind bleven. Raadpensionaris in zijn tijd was Gilles, die, als staatsgezind, aftreden moest en vervangen werd door Steyn.

Behalve wijziging in het bestuur, verlangde men van den prins opheffing van misbruiken en had daarbij het oog op belastingen en posterijen. De inkomsten der posterijen, die in Holland tonnen gouds beliepen, werden door de heeren regenten in den zak gestoken. Onder den drang der omstandigheden moesten zij ze afstaan aan de kas der provincie. De belastingen werden door de regeering ten deele verpacht, en de pachter zorgde voor het innen door het uitreiken van pachtcedels aan hen, die waren ten verkoop aanboden of afleverden. Gewoonlijk waren de pachters spoedig rijk, en tegen hen keerde zich de woede des volks in de woelige dagen van 1747 en '48. In onderscheidene steden hadden oproeren plaats; in Amsterdam vooral ging het hevig toe. Het gevolg was, dat in Friesland, Groningen, Holland en Utrecht het verpachten plaats maakte voor de inning van overheidswege door ambtenaren met een vast traktement.

Om den bloei der nijverheid te bevorderen, bepaalde Willem, dat hij en zijn hof niet anders dan stoffen van inlandsch maaksel zouden gebruiken. Dit voorbeeld werd door sommigen vrijwillig, door anderen gedwongen nagevolgd.

8*

Sluiten