Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leger, en zij vonden het onbillijk, in den schuldenlast van Noord-Nederland te moeten deelen. Deze laatste grief was niet denkbeeldig. De schuld op het Noorden rustende, was 575 millioen, de Belgische 27 millioen. Wel stond hier tegenover, dat de Belgen aandeel in onze koleniën kregen, maar deze brachten eerst na 1830 voordeel van beteekenis op. Koning Willem vergrootte de ontevredenheid door in 1819 te bepalen, dat in 5 Belgische provinciën de Nederlandsche taal in openbare aangelegenheden gebruikt moest worden. De ambtenaren, die binnen een bepaalden tijd geen Nederlandsch kenden, zouden verplaatst worden. Vooral de hoogere standen, die zich altijd van het Fransch bedienden, vonden dezen maatregel hinderlijk. En verder gevoelden de Belgen zich zeer gekrenkt, dat de voorname posten meest aan Nederlanders gegeven werden. Inderdaad telde men in 1829 onder de hooge staatsambtenaren en militairen 317 Hollanders en 81 Belgen.

Niets nam het grootste deel der Belgen den koning meer kwalijk, dan zijne bemoeiing met de opleiding der geestelijkheid. Hij richtte te Leuven eene school op, collegium philosophicum geheeten, en stelde vast, dat niemand het priesterambt mocht bekleeden, die niet een bepaald deel van zijn studietijd daar had doorgebracht.

Behalve de machtige geestelijkheid bestond nog eene andere partij in België, de vrijzinnige of liberale geheeten, die eerst tegenover de geestelijkheid stond en vóór den koning was, omdat zij van dezen vrijzinniger bestuur en grooter invloed der volksvertegenwoordiging, verwachtte. Toen dit niet geschiedde, sloot zij zich in 1828 bij de partij dei geestelijkheid of de clericale partij aan, en samen eischten zij nu vrijheid van onderwijs en drukpers. Ihans stond het

Sluiten