Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem meer goed zou doen tot de kerkgemeenschap te worden toegelaten dan hem af te wijzen of zijne aanneming uit te stellen en de overtuiging, dat hij zeker in geen opzicht de Kerk schade zou berokkenen, ofschoon hij nog niet in staat was eenige duidelijke verklaring af te leggen omtrent zijn godsdienstige getuigenis — al deze redenen leidden er toe, dat hij werd aanbevolen voor het lidmaatschap in Mei 1856.

Moody heeft zich nooit beklaagd over dit optreden der Commissie. In tegendeel, hij meende, dat zij zeer verstandig en zeer geschikt gehandeld had. In later jaren had hij veel bezwaar om personen toe te laten tot het lidmaatschap onzer Kerken, die niet werkelijk wedergeboren waren en hij richtte zijn onderzoek altijd daarheen, dat zij de vraag flink in het aangezicht hadden te zien, niet alleen of zij de goddelijke natuur deelachtig waren geworden, maar of zij ook in staat waren met Paulus te zeggen: »ik weet, Wien ik geloofd heb en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag." (2 Thim. 1:12).

Men vertelt wel eens — en de waarheid of onwaarheid van deze vertelsels is onmogelijk uit te maken, ofschoon men van sommige de valschheid zeker weet — dat er menschen waren, die den jongen Moody berispten over het spreken op bidstonden en die zijn ijver trachtten te beteugelen. Men kan echter gerust gelooven, dat hij, juist als in alle zaken, ook in den

Sluiten