Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Romeinen waren levendig en bedrijvig, hij moest dus kort zijn om hun belangstelling te wekken. Gij zult het woord „terstond" een-en-veertig maal in dit Evangelie ontmoeten. Behalve het eerste, zevende, achtste en veertiende beginnen alle hoofdstukken met „en," alsof er geen pauze in Christus' loopbaan was.

Lukas vertelt dat Christus kinderkens „tot Zich riep:" maar Markus zegt „Hij omving ze met Zijne armen." Dat is een veel liefelijker voorstelling, niet waar?

Het spannendste hoofdstuk is misschien het vijfde. Hier worden drie zeer ernstige gevallen — duivelen, ziekte, en dood — voor menschen hopeloos, door Christus genezen. Het eerste geval was een man met een onreinen geest. Zij konden hem niet binden, noch boeien, noch temmen. Waarschijnlijk verspreidde hij alom schrik en waren de menschen doodelijk bevreesd voor hem. Zelfs bij dag zijn de menschen bang voor een kerkhof; deze man leefde in de graven en was van duivelen bezeten! Hij zeide: „Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zoon Gods des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God dat Gij mij niet pijnigt." Maar Jezus was gekomen om hem een weldaad te bewijzen.

Vervolgens de vrouw met den vloed des bloeds. Had ze in onzen tijd geleefd, dan zou ze zeker alle mogelijke kwakzalversmiddelen aangewend hebben. Wij zouden haar geval voor hopeloos uitgemaakt en haar naar het ziekenhuis gezonden hebben. Maar er was meer geneeskracht in den rand van Jezus' kleed, dan in den geheelen voorraad geneesmiddelen van Palestina. Zij raakte Hem slechts aan, en werd genezen. Honderden

Sluiten