Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen engel, heeft ooit toegelaten dat men hem aanbad. Iemand die dat gedaan had zou niet langer een goed mensch hebben genoemd kunnen worden. De blinde die het gezicht teruggekregen had, zeide: Heere, ik geloof! en aanbad den Heiland. Christus wees hem niet terecht.

„En ik, Johannes, ben degene die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om te aanbidden voor de voeten des Engels die mij deze dingen toonde. En hij zeide tot mij: Zie dat gij het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht." (Openb. 22 vs. 8 en 9).

Toen Paulus en Barnabas den kreupele te Lystre genazen kwamen de scharen met offeranden en wilden hen als goden aanbidden; maar zij gedoogden het niet. Christus intusschen liet toe dat men Hem aanbad.

„Die nu in het schip waren kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon." (Matth. 14 vs. 33).

Hij berispte ze niet.

„En zie, een melaatsche kwam en aanbad Hem, zeggende: „Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen." (Matth. 8 vs. 2).

In de geschiedenis van de Kananeesche vrouw:

„En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heer, help mij!" (Matth. 15 vs. 25).

En zoo zijn er vele andere plaatsen. Maar ik haal deze aan om te toonen dat Christus inderdaad aangebeden werd, en dat Hij het nooit afwees. Hij beweerde dat Hij God-mensch was. Hij beweerde dat Hij bestond voor de schepping der menschheid. „Voordat Abraham

Sluiten