Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de stilte nog te kunnen begrijpen en waardeeren.

De zondagsrust, welke daarbuiten in het kermisgewoel der steden, eenmaal om de acht dagen, schuw en schuchter aanklopt, welke alleen in de uitstallingsramen, waarachter de gordijnen zijn nedergelaten, haar mat beeld weerspiegelt en snel verjaagd wordt door het woest lawaai der kroegen en plaatsen van uitspanning, vindt men hier voortdurend! Hier heeft zij haar tempel opgericht, hier golft haar adem zegenend door de heldere lucht, welke nog door geen walmende fabriekschoorsteenen met de bacillen van den tijdgeest is bedorven.

Het geheele karakter van het landschap is rust. De heide beheerscht het, — geen akker, geen weide graaft er de voren van de vlijt door, alleen de bij werkt met rustelooze bedrijvigheid, verzamelt kostbare schatten uit de kelken der heidebloemtjes en draagt ze bij elkander in de korven van den ijmker. Wie merkt het op en wie stoort haar ? — Zacht, heel zacht gonst en bromt het in de zoele zomerlucht, alleen de bloemstengels buigen de toppen en schommelen zacht heen en weder, als de kleine inzamelaarster bedwelmd aan de bloemkelk hangt, en het is eenvoudig of er gouden vonken door den zonneschijn spatten, als zich de duizenden vleugels bewegen.

Alle ander leven der heide houdt behaaglijk de Zondagsrust.

Roerloos koestert de onschadelijke adder zich in het zand, hagedissen sluipen uit hare schuilhoeken en genieten in het warme licht, en de konijntjes pinkoogen slaapdronken tusschen de twijgjes en bloemtrosjes door.

De donkere streep aan den horizon is dennenwoud. De hemel er achter is zwavelgeel getint, en wel zoo schitterend en schel, dat het den indruk maakt, alsot men de toppen der pijnboomen op goudpapier heeft geplakt.

Daar kronkelen ook fijne, zachtblauwe rookwolkjes in de hoogte, en laag hangende stroodaken ver-

Sluiten