Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jannetje had van haar leven nog geen Hoogduitsch woord gehoord. Doodelijk verschrikt stak zij vier vingers van haar bruinachtig handje tegelijk in den mond en zoog ze uit verlegenheid sneeuwwit.

Toen weerlichtte het, ontegenzeggelijk van toornig ongeduld, in de scherpe gelaatstrekken van den ouden heer. Doch slechts een oogenblik, als bedacht hij zich eensklaps, streek hij onmiddellijk daarop met de hand over het voorhoofd en vroeg in het platduitsch: „Kleine krullebol! Heeft je vader nog potaten in den kelder?"

Jannetje maakte een zwenking naar rechts en zoog verlegen voor de afwisseling op haar linker hand, maar zij knikte tegelijk.

„Verkoopt hij ook een gedeelte?" —

Dat ging boven den horizon van het vlaskopje. De blauwe oogen keken zoo door en door wezenloos tot den vrager op, dat Koltitz het mislukte van zijn poging inzag.

Hij klapte een paar keeren met zijn gebit en stapte met reuzenschreden verder.

Doch den volgenden keer klopte hij aan de deur van den Schout aan en trad binnen. Hij nam zelts ook plaats, niettegenstaande J ochem Weese. deels uit blijde verrassing, deels uit hoogachting, hem er volstrekt niet toe had uitgenoodigd. Thans sprak de Overste van den aanvang af een goed en duidelijk platduitsch, werd verstaan en ontving elk gewenscht bevestigend antwoord. De aardappelen waren in Ellerndörp verbazend goedkoop; welke mededeeling een glans van vergenoegen op het gelaat van den ouden houwdegen deed schitteren. Hij werd spraakzaam, waarop Jochem Weese zijn zware tong een zedelijken stoot gaf, en ook begon te redeneeren ; — hij sprak voor zijn doen ontzettend veel en alles, wat hij zeide, was degelijk, flink, eerlijk en oprecht gemeend.

Koltitz zou gaarne nog een paar akkers bij zijne bezittingen koopen. n

Dat zou het beste in de kroeg „te bepraten zijn",

Sluiten