Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met sneeuwwit haar had er als staljongen bijgestaan, toen de kales van Mevrouw de Koningin van Parijs van postpaarden wisselde, — hij had ook Fransche duivels van de armée van den grooten Napoleon in levenden lijve gezien. Drie andere mannen waren er in 1870 bijgeweest. De een was getuige van den intocht in Parijs geweest, de ander zag Straatsburg branden, de derde had als grenadier van het 89ste regiment bij Loigny er dapper op ingehouwen — rechts en links, dat de lappen er afvlogen! Hij wordt spraakzaam, als de herinnering hem het bloed sneller door de aderen jaagt. Ook het leerkleurig gelaat van den Overste wordt donkerder getint. Thans moet hij vertellen, waar hij de roodbroeken heeft geklopt.

Hij doet het. Zijne vurige oogen fonkelen als karbonkels. Bij Metz is hij met zijne wakkere ruiters er op losgereden, alsof hij met de eskadrons-rossen het gansche Fransche gebroed in den grond wilde stampen. Het moorddadig lood had om zijne ooren gefloten, en hier — hier in het schouderblad .... daar was het ingeslagen. De Satan heeft zijn hand in het spel gehad, — het been is stijf gebleven tot op den huidigen dag. — „Daarom hebt gij zeker den dienst verlaten i vraagt Jozef Lenzke onschuldig. —

Deze eenvoudigè woorden hebben een uitwerking of het messteken waren geweest. Ivoltitz krimpt bij het hooren ervan ineen; de adem fluit door zijn krampachtig saamgedrukte lippen. Daarop barst hij in een schellen schaterlach uit en staart in het bierglas. „Neen, kinderen, niet daarom!" zegt hij, het hoofd schuddende, „niet daarom!

Wat weten de boeren van Ellerndörp, hoe steil en glad de ladder is, van welker bovenste sport de veldheersstaf wenkt.

„Hebt gij van dat drillen en fourageeren al genoeg gekregen?!" vraagt Jozef andermaal.

Nu vestigt de oude den blik op hem en staart hem aan, of hij hem wilde bijten. Zijn rimpelig gelaat trekt en trilt, het wit zijner oogen wordt rood.

Sluiten