Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„'t Is een prachtig huis, dat gij bouwt, Heer, rijkelijk groot voor een alleenlevend man, zooals gij zijt."

Koltitz schudde het hoofd. „Ik leef niet alleen, ik heb vrouw en kind."

„Te donder!" — De verrassing van den kleinen kring was zoo volkomen, dat de oneerbiedige uitdrukking Schulzen onwillekeurig ontviel. En daarop staarden zij allen elkander sprakeloos aan, en wisten niet, hoe zij dit nieuwtje snel genoeg in zich zouden verwerken. Het gerucht had zich verbreid, dat de Overste een oude vrijgezel was ; men had het in het dorp als een feit aangenomen, op grond daarvan zich allerlei voorstellingen gemaakt; en nu kwam die mededeeling als een wervelwind en deed het geheele, met moeite opgetrokken gebouw' van Ellerndörpsche fantasie weder instorten.

Jochem was de eerste, die zijn tegenwoordigheid van geest herkreeg. „Met alle respect, Heer," klonk zijn vraag, „zal de genadige Vrouw ook hierheen, naar het eindje der wereld komen?"

Koltitz zag er eensklaps heel vergenoegd uit. „Dat spreekt, kinderen! Mijn vrouw en mijn dochter zullen me hier toch niet alleen laten zitten? 't zijn, Gode zij dank! beiden zeer verstandige vrouwen, die ook de geheele ellendige wereld naar den duivel wenschen. Maar goed zijn zij, goed als de lieve Engelen in den Hemel. Mijn oudje was misschien wel te goed voor me, zij heeft nooit de pantoffel gezwaaid — en dat is ook niet goed. Naar één wezen op de wereld moet de man zich kunnen voegen, in liefde en vriendschap en met alle verstand! — Als iemand overal slechts het commandeeren gewoon is, als hij in huis evenzoo beveelt als in de kazerne, dan wordt hij een opsnijder, een dikkop, die dan overal in het leven met zijn hoofd door den muur wil.... 't Deugt niet, 't deugt niet! — Maar goed zult gij het bij moeke hebben, o en vooral bij Erika! ja, als ik die twee vrouwlui niet had gehad! — het meisje heeft me het beste weder tot rede gebracht. — God vergelde 't haar en beware haar voor een soldaat,

Sluiten