Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de herfst de bladeren over de heide joeg-, wilde hij naar zijn nieuwe woonplaats overkomen.

De boeren brandden van begeerte te vernemen, of de Overste het landgoed ook alleen zou bebouwen ?

Claasen had na lang schrapen eindelijk den moed, hem daaromtrent een vraag te doen.

Koltitz scheen gaarne over zijne plannen te spreken. Hij antwoordde onmiddellijk op de vraag en vertelde, dat hij als officier te weinig ervaring had, om zonder beproefde hulp zulk een risico te kunnen wagen. Het toeval kwam hem daarbij te hulp. Een verre neef van hem was op een landbouwschool geweest, had met groote bekwaamheid een landgoed beheerd, en zich nu bereid verklaard, Ellerndörp voor hem te beheeren en op gang te brengen. Dat zou dan de leertijd voor den Overste zijn. Het inrichten van een stoeterij lachte hem ontzettend toe. Hij was een hartstochtelijk liefhebber en fokker van paarden, had als cavallerist de noodige kennis en achtte Ellerndörp er bijzonder geschikt voor.

Maar dat zou alles eerst met der tijd in orde komen. In de eerste plaats snakte hij naar rust en vrede. Hij wilde vóór alle dingen den eerstvolgenden winter op zijn gemak achter de kachel zitten en luisteren naar hetgeen de storm uit zee te vertellen had!

De oude heer wreef meesmuilende in de handen. Welk een weldaad zal dat zijn, als er niet elke tien minuten wordt gebeld, om een visite aan te kondigen! Welk een verkwikking, als de kletskousen zijn arme vrouw niet voortdurend met afgrijselijkheden van stuur brengen, als aller oogen niet meer vol angstige spanning aan het voorhoofd van den divisie-Generaal hangen, of het storm of zonneschijn voorspelt! — Nu zal hij zich niet meer op bals en diners vervelen, zal hij niet meer urenlang bij wind en weêr in de vigelante zitten, om visites te rijden, zal hij zich niet meer tot berstens toe ergeren, als giftig-zoete deelneming hem vraagt: „Mijnheer de Luitenant-Kolonel, gevoelt gij u thans

Sluiten