Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat beter ? Ik hoorde, dat gij een nieuwen aanval van uw kwaal hebt gehad ? !" —

Neen, thans ergert men hem niet meer. Hij heeft de bonte jas uitgetrokken, welke een laatste aalmoes nog met den titel en het onderscheidingsteeken van Overste heeft opgesmukt. Een overste zonder regiment; een ruiter zonder paard! — Hij zal het vergeten! —

Stil, zeer stil en verwonderlijk prettig moet het in het heerenhuis van Ellerndörp worden.

Mamatje zal hem koesteren en verzorgen, zij zullen onafhankelijke menschen zijn en eindelijk eens kunnen doen en laten, wat hun behaagt. En Erika zal den zonneschijn in de woning brengen, zij zal zingen en lachen, zal bloemen kweeken en over het hoenderhok bevel voeren, zij zal het met neef Wigand goed, zeer goed vinden, zoo goed .... dat ....

Ja, toen de gedachten van den ouden heer tot dit punt gekomen waren, streek hij plotseling met de hand over de oogen, lachte, sprong op en liep met een stralenden glimlach op het gelaat in de kamer op en neder. — Zijne plannen, zijne plannen! Over alle andere sprak hij, over dit laatste niet, maar het was hem het liefste van alle.

De zon zonk dieper. Bloedroode lichtjes flikkerden over de heide. Daar naderde de gele postwagen weder ratelend en piepend door het zand.

De Overste stond op. Hij schudde op de rij af ieder de hand; stevige, ruwe, eerlijke handen; „spoort, kinderen ! spoort de werklui aan, opdat het huis gereed korae !" riep hij hun ten afscheid toe. Daarop steeg hij in den postwagen.

De boeren stonden op, de mutsen in de hand, en keken hem na.

„Hij is toch duchtig verdord en zwak!" zeide Peter Claasen het hoofd schuddende in zichzelf, „'t is niet goed, als zoo'n oude, miserabele kerel nog een huis bouwt!"

„Neen, daar doet hij niet goed aan."

Sluiten