Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mandje, alsof hij sla aan wilde maken, „'t Is bespottelijk, we kibbelen om 's keizersbaard. Afwachten, Jetje, de eenzaamheid heeft reeds menige dorre roede in mirtegroen doen uitbotten ! Ziezoo, en nu mondje toe, oudje —- buiten rammelen eindelijk de koffiekopjes!"

De deur werd geopend met dien eigenaardig langzamen ruk, welke onmiskenbaar verraadt, dat de klink onder verzwarende omstandigheden met den elleboog wordt neergedrukt. Met behulp van het voetje de zware deur openduwende, verscheen een slanke meisjesgestalte op den drempel.

Een donkerbruine lakenschen japon, eenvoudig maar zeer chic en modern, omsloot de bevallige ledematen, een geborduurd schortje beschutte het tegen mogelijke vlekken en het kapsel van het kopje met blonde lokken bewees, dat mejuffrouw Erika hare toiletkunsten naar den smaak der groote stad had aangekweekt.

Intusschen lag er over de gansche verschijning van het jonge meisje iets uiterst frisch, door en door natuurlijks ; haar uiterlijk verried noch behaagzucht noch ijdelheid, zij kleedde zich goed en sierlijk, omdat haar schoonheidsgevoel er tegenop kwam, iets leelijks of onbevalligs in den spiegel te zien.

Op een schitterend zilveren blad rammelden de koffiekopjes in hare hand en vermits Lize met koffie- en roomkan volgde, neuriede hare jonge meesteres, ten einde hare ouders als het ware uit te noodigen: „Koffietje, koffietje, gij hemelsche drank!"

Het gelaat van den Overste verhelderde. „Kom, oudje!" zeide hij, met het hoofd wenkende, en volgde zijn dochter in de zijkamer, waar de koffietafel, helder en appetijtelijk als een stilleven in vergulden lijst, tot aanzitten uitnoodigde. De groote, eigengebakken koek, in welker midden een ruiker van maagdenpalm prijkte, was een meesterstuk van moeder Doortje; het spiritusvlammetje onder den zilveren theeketel flikkerde met een blauwachtig licht, en boven de kleine tafel hing de sierlijke bronzen lamp, welke de kamer van het huis

Sluiten