Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de heide even feestelijk met haar zacht getemperd licht vervulde, als vroeger in de eetzaal in de residentie.

„Moet ik inschenken, papatje, of wachten we op Wigand?"

„Inschenken, kleine aap! Wie niet op tijd verschijnt, moet nemen wat er overblijft! Waar zit dat heerschap toch weder ? !"

„Hij schijnt in de stallen opgehouden te zijn !" Onder dit gesprek vulden de blanke handjes zeer gelaten het kopje van den Overste, terwijl de kuiltjes in de wangen dieper werden door haar vroolijk gelach. „Ik hoop ten minste niet, dat de storm hem heeft weggeblazen, of dat hij in de sneeuw is blijven steken! Zijne laarzen zijn in elk geval stevig genoeg, om het een zoowel als het ander te verhinderen!"

„Wat heb je toch altijd tegen zijne laarzen?" vroeg de oude heer gekrenkt. „Een landbouwer kan toch bij zijne wandelingen door stal en versch geploegden akker geen verlakt lederen laarsjes dragen zooals jij!"

„Dat weet ik wel, papatje, dat weet ik wel! Maar de vierkante monsters met spijkers zien er al te potsierlijk uit en geven den goeden Wigand een even zonderling uiterlijk, als zijn duffelsch buis a la Oom Brasig!"

„Zottigheid! 't Is een flinke, practische, duurzame pijekker! Ik denk me er ook zoo een aan te schaffen."

Erika beet lachende in haar stuk koek. „Dan dien ik een klacht tegen u in, papa! Als ik op twee zulke exemplaren moet zien, zou ik een mannenhaatster worden."

„De duivel mag weten, hoe jelui vrouwen aan zoo'n beetje lorren hecht! Op de jas tuurt jelui je de oogen blind, maar wat er onder zit, dat is bijzaak!"

„Hm .. . bijna hebt gij gelijk! Kleêren maken den man!"

„Maken fatten en dandy's!"

„Maken „Oom Brasigs" en ridders!"

„Kuiken!"

„Kuikentje, als ik u verzoeken mag."

Sluiten