Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gode zij dank!"

Het jonge meisje ging naast haar moeder zitten en haalde twee brieven uit den zak. „Hier, mamatje, van de Generaalsvrouw von Marburg en van de vrouw van den Luitenant-Kolonel! Warnke heeft ze zooeven in de keuken afgegeven, omdat hij nu toch eenmaal hier naar toe moest."

Mevrouw Henriëtte bekeek verheugd de adressen. „Hoe lief en vriendelijk van de dames," zeide zij. „Zij houden trouwe vriendschap en nemen zoo hartelijk deel aan papatje's wedervaren. Indien papa er maar eens een enkelen keer toe kon komen zulk een brief te lezen, zou hij zich spoedig overtuigen, met hoeveel toegenegenheid men in het regiment aan ons denkt."

Wigand trad naderbij. „Het zou hem niet bekeeren, tante. Zijn menschenhaat is ziekelijk en ligt zeker in den aard van zijn lijden ; een idee fixe is ongeneeslijk. Wij zien het allen met angst en bezorgdheid, hoe krank hij is, alleen hij zelf wil het niet bekennen, hij zelf beweert door en door gezond te zijn."

„Dat is juist de oorzaak van de geheele ellende, Wigand. Ik verzeker je, dat Fritz werkelijk niet meer te paard kon zitten, dat het hem onmogelijk was nog dienst te doen, en desniettegenstaande wilde hij het niet erkennen, desniettegenstaande nam hij het als de grootste onrechtvaardigheid, als de bitterste krenking op, dat men hem eindelijk zijn ontslag gaf, omdat hij uit eigen beweging niet heen wilde gaan. Ach, dat was een vreeselijke tijd, den ziekelijk overprikkelden man dien slag te boven te doen komen; zijn haat, zijn wrok zijn volstrekt niet gerechtvaardigd, maar wee dengenen, die hem daarvan wil overtuigen. Hoor je hiernaast? Thans vertelt hij den wildvreemden man, den dorpspostbode, de geschiedenis van zijn ontslag. Met innige wellust verbijt hij zich nu weder in zijn bitterheid tegen de gansche wereld, innig voldaan, dat iemand hem gelijk geeft. Wie zou zoo iets vroeger mogelijk geacht hebben?"

Sluiten