Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Muis, doe niet zoo gek!"

„Hoe heerlijk zal dat zijn, als Joel ons eiken avond uit uwe lievelings-opera's wat voorspeelt. Dat hij zeer goed speelt, stemt toch zijn vader zelf toe.

„Als men den lummel tenminste maar eens in oogenschouw kon nemen, vóór men zich met hem in betrekking stelt."

„Dat kunt gij, papatje. Laat zijn portret komen."

„Daaraan kan ik u onmiddellijk helpen," hernam Wigand. „Hij zond me vóór enkele weken zijn jongste portret."

,,'t Zal wel zoo'n malle kwast zijn."

„De Geheimraad schrijft, dat hij zeer knap is."

„De oude knorrepot schijnt even zoo verblind en verzot op den lichtmis te zijn, als Mevrouw zijn moeder."

„Ik zal het portret halen."

„ Gauw, gauw !"

Wigand liep glimlachend naar de deur. Hij was geen diplomaat en was van schrik geheel ontsteld over de taak, welke zijn pleegvader hem had opgedragen; thans haalde hij verlicht adem. Zijn zaak was in de beste handen, de tante en Erika wierpen zich als pleitbezorgsters van zijn armen Joël op. En welke uitstekende gedachten had de kleine weder ontwikkeld.

God in den Hemel, indien Eikhoff zijn zoon op niet te rechtvaardigen wijze uit de banen rukte, welke door God voor hem bestemd waren. Geen ontzettender lot, dan een kunstenaar te zijn, die door de beulsknechten van het realisme en het nuchtere proza ter dood gebracht wordt. Een onbegrepen streven en werken,... afschuwelijk!

Wigand had steeds een trouwe, innige liefde voor den ouderen naef gekoesterd. Hij, de nuchtere man zonder talent, wien het een wonder toescheen, als menschenhanden aan een zoo verwonderlijk instrument als een piano of een viool de zoetste melodieën ontlokten, die het volkomen onbegrijpelijk vond, hoe men een melodie, laat staan een geheele opera uitdenken,

Sluiten