Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boomen vóór het huis, zoodat het den indruk maakt, of zij zich, als afgematte wandelaars, op de met witte vlokken bedekte aarde wilden werpen.

Landen staart recht vóór zich uit. Zijne gedachten dwarrelen als de sneeuwvlokjes buiten, hij wordt zich van zijn gewaarwording niet helder bewust, maar heeft een gevoel, alsof zijn hart hem plotseling pijn doet.

Zijn kalm hart, dat geen wenschen koestert.

Hoe komt dat?

Erika's oogen hebben van verrukking geschitterd, toen zij Joëls portret beschouwden. — Waarom dat?

Waarom steeg haar het bloed daarbij zoo warm naar de wangen? en waarom heeft zij zijn portret, dat zij slechts één enkele maal zag, niet vergeten?

Omdat hij zoo knap is, zoo knap en zoo interessant.

Hoe gelukkig, hoe benijdenswaardig moeten de menschen zijn, die eenvoudig hun schoon aangezicht aan de wereld behoeven te toonen, om stormenderhand de harten te veroveren!

Wigand is nooit in zijn leven wangunstig geweest, hij heeft anderen alles van harte gegund, hun geld, hun roem, hun schoonheid, — maar thans? — 't Is zonderling. Hij is ook thans niet wangunstig op den vriend zijner jeugd, maar hij drukt het voorhoofd tegen de koude ruiten en denkt: Waarom ben je ook niet zoo schoon ?

Voor de eerste maal in zijn leven denkt hij het. Waarom? Hij ziet Erika's vuurrood, bewonderend gezichtje nog altijd vóór zich. Hij kijkt wel is waar naar buiten in den nachtelijken sneeuwstorm, maar hij ziet toch alleen Erika's oogen.

En nu ontdekt hij, dat de lamp zich in de vensterruit spiegelt, dat een gedaante als een tooververschijning in de koude winterlucht vóór hem zweeft, — de gedaante aan de koffietafel.

Hij kan het duidelijk zien, hoe Erika dicht naast haar moeder is geschoven, hoe beiden het portret beschouwen. De kleine babbelt opgewekt, hare wangen

4

Sluiten