Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gloeien als te voren, en nu nu heft Mevrouw

Koltitz den vinger op en dreigt gekscherend het dochtertje.

Wat mag de rozeroode mond hebben gezegd?

Een huivering vaart er eensklaps door Wigands leden. Het is hem, als wordt er plotseling een sluier vóór zijne oogen verscheurd, als ziet hij een menschenhart, waaruit geheel onverwachts helle vlammen slaan.

Zijn eigen hart.

Wat kwelt hem, den stillen, bedachtzamen, koelbloedigen man, eensklaps? Hij is toch de jaren te boven, waarin een kalverliefde den jongeling overvalt als een dief in den nacht, — hij is een man van zes en twintig jaren, een man, wiens gezond verstand steeds grooter was, dan al zijne driften, — en thans vlamt het plotseling op in zijn borst en dreigt lichaam en ziel in vuurgloed te zetten.

Zou een voorbijgaande roes krachtiger zijn, dan zijn gezond verstand ? Zou hij zich tot een slaaf van onzinnige aandoeningen maken?

Heeft hij gisteren, eergisteren, eiken vorigen dag Erika niet kalm en zonder begeeren in het rozerood gezichtje gekeken ?

Waarom grijpt het hem plotseling met huiveringwekkend geweld aan, zoodat hij het wel luide zou willen uitschreeuwen, dat zij het portret van een ander met stralende oogen toelacht? Een arme, arme dwaas is hij.

Wat heeft hij met Erika te maken? Hij, die niets op de wereld het zijne noemt, als dat, wat hij in het zweet zijns aanschijns verdient!

Hij is er niet voor in de wieg gelegd, de minnaar van een rijk, schoon meisje te zijn, al beminde hij haar ook tot waanzinnig wordens toe. Hij is leelijk, heeft niets dan zijn trouw, eerlijk hart.

Is het ook in dit oogenblik eerlijk? Het klopt en hamert om te barsten, het vermaant hem in sidderenden angst: „Houd den arend ver van je duivenslag, laat den marter niet toe, dat hij je nest overvalle!

Sluiten