Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen de Paaschklokken luidden, zongen de sneeuwklokjes reeds mede in het jubelend koor, de sleutelbloemen bloeiden in dichte kronen en op de uitgestrekte heide geurde de lente in verrukkelijke pracht uit duizenden en duizenden kelken, waarom nieuwontwaakt leven schitterend de bonte vleugels beweegt.

Welk een morgen!

In glans en licht zich badende, ontwaakt, lacht de wereld uit tallooze pas ontslotene oogen.

Geen wolkje aan den hemel, alleen zwermen van jubelende vogels, geen schaduw op het land, alleen die fijne, trillende sluier, welken de takken, van nieuw loof voorzien, op het gras werpen.

Over een wijde — eindelooze uitgestrektheid is het stil en eenzaam.

Ginds grazen koeien.

Het gelui harer klokjes klinkt welluidend over de" bedauwde heide, dat alleen wordt afgebroken door het geroep der dienstmaagden, die met zitbankjes en emmers de beesten, welke aan hare hoede zijn toevertrouwd, naar het schuthok drijven.

Een kleine, met braamstruiken begroeide greppel loopt langs de meentweide.

Een grenssteen steekt schitterend boven de brem uit, Erika heeft hem tot zitplaats uitgekozen. De handen in den schoot gevouwen, het kopje min of meer achterover gebogen, ziet zij, met een glimlach op het gelaat, peinzend naar den helderen hemel op.

Naast haar, in de versch uitspruitende heide uitgestrekt, het hoofd op beide vuisten rustende, kouwde Doortje, die de wacht had over de zestien hamels, welke, van de kudde afgezonderd, hier rondliepen, met het grootste genot de jonge zuringstengels. Zij keek met een deels wantrouwend, deels eerbiedig gezicht naar het kleine boek, dat de jonge meesteres nog opengeslagen op de knieën hield en waarin zij tot nu toe ijverig had geschreven.

Sluiten