Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen jaars, hetwelk Erika's hand haar toestak. „Daar vraag ik volstrekt niet naar, bromde zij, „dat satanstuig vreten zelfs mijne hamels niet!"

Opnieuw kleurden overmoed en genoegen de wangen van het jonge meisje hooger. „Zoo, dat is in elk geval een ongunstig getuigenis voor de arme bloemtjes! Maar zoudt gij nu ook soms wenschen te weten, wat ik bij klokgelui, vogelstemmen en bloemengeur denk?"

„Graag!" Doortje kauwde opnieuw zuringspruitjes en keek vol verwachting op.

Toen nam Erika het kleine boek uit haar schoot, sloeg het open en las zacht, met haar buigzame, zielvolle stem:

„Wolkloos is de blauwe hemel,

't Purperrood der heide gloeit,

En het bloempje geurt zoo lieflijk,

Dat mij in het harte bloeit!

Klokken luiden! — Vogelstemmen Wiegen mij in zoete rust, —

Maar bij al dat wonderschoone Mis ik u, mijn hartelust!

Kom, o kom! Gij trekt mij immer Machtig, onweerstaanbaar aan, —

Slechts in 't leven aan uw zijde Kan voor mij 't geluk bestaan!

Als de zon, na 't winterbangen,

Statig aan den hemel klimt,

Zóó stijgt gij, als liefdezonne,

In mijn hart, dat u bemint!"

Ver over het kleine boek weg zweefde de blik der lezeres. Week, peinzend, smeltend in den vochtigen glans van het smachtend verlangen, schitterden de anders zoo kinderlijk opgeruimde oogen.

Dat was de echte, zuivere dweperij eener meisjesziel, welke over haar ideaal mijmert, zich door een klein portret, door een paar roerende woorden over gebrokene kunstenaarsvleugels in de innigste geestvervoering

Sluiten