Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laat brengen. De goddelijke vonken der poëzie vlamden op bij den aanblik der heide in haar lentetooi en betooverende stilte. Daar smolten het gelui der klokken, de stemmen der vogels en de geur der bloemen samen tot een hemelsch accoord en het jonge hart beelde onder een onbegrijpelijke gewaarwording, onder gedachten, welke men niet verklaren, alleen dichten kan.

Toen schiep zich het goddelijke in den mensch een beeld, waarvoor het al de liefdebloesems van het innerlijk sfevoelen aanbiddend kon nederleggen.

Een ideaal! Een van die denkbeeldige, lichte, verheerlijkte gestalten, welke het oog des dichters vooruitzweven in sferen van de hoogste en reinste geestvervoering. welke de scherpe lucht en het schelle licht der alledaagschheid niet verdragen, en onhoudbaar in een niets opgaan, als de werkelijkheid ze grijpen en

ontleden wil. .. ,

De idealen dragen vleugels, zij zijn niet aan de nuchtere aarde gebonden, maar zweven ons licht op zijde, zij zijn genadegeschenken Gods, toegerust met bovenaardsche krachten, met armen, zoo reuzensterk en krachtig, dat zij zelfs het door zorgen meest bezwaarde hart omhoog in den Hemel dragen kunnen.

Even roerloos als de jonge meesteres zat ook Doortje.

Zij had de zuring laten vallen en kauwde, in plaats daarvan, op de nagels. Er lag op haar roodwangig, achttienjarig gezicht een uitdrukking, 21 c 1

moeielijk laat beschrijven. Het onbewuste welbehagen, dat elk meisjeshart, — al is het een nog zoo ongeslepen diamant, — ondervindt, als klanken van lietde en smachten het aangenaam aandoen, en daarnaast toch het bange gevoel van hulpeloosheid tegenov er een menschelijken geest het kwelt, welks hooge vlucht de eigene ziel niet in staat is te volgen.

En daar Doortje zich van haar gewaarwording geen rekenschap kon geven, deed zij evenals in de kerk , zij wist aan haar ontroering niet beter uitdrukking te geven, dan door een hartverscheurend snikken.

Sluiten