Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Diep getroffen staarde Erika haar aan. „Maar, deerntje, ben je krankzinnig geworden? Waarom huil je toch opeens zoo vreeselijk?"

De schaaphoedster stopte, ten einde zich tot bedaren te brengen, het schort in den mond.

„Och, lieve juffrouw als gij u ook zelve zoo

bedroefd aanstelt.... en zoo dol naar uw lief verlangt. ..."

„Maar Doortje, ik heb er volstrekt nog geen!!"

„Gij zoudt er toch gaarne een hebben!"

„Daarom behoeft men toch niet te weenen..."

„En dat gij bij het vogelgekweel gaarne toeft!"

„Het wiegt me eenvoudig in een zoete rust!!"

„En dat hij zoo geel als de zon komen moet "

„Doortje! Domkop! wat heb je al niet uit mijne verzen gehoord !" En Erika lachte, dat zij de handen in de zijden moest zetten. De kleine strengelde vroom de vingers in elkander en drukte ze tegen de borst, .hare donkere oogen keken als verheerlijkt naar de jonge landvrouw op.

„Maar mooi waren zij toch! en ik moest dadelijk aan mijn Jochem denken,... ach mijn Jochem! precies alsof gij de rijmen voor hem hadt geschreven!"

Dat gaf weder aanleiding tot de diepste ontroering, en het was een waar geluk, dat juist op dat oogenblik twee hamels vijandige neigingen kregen. Zij renden met de koppen zoo krachtig tegen elkander, dat het kraakte, en dit bracht Doortje weder tot bezinning. „Duivelstuig, hondsvotten!" en met gillend krijgsgeschreeuw wierp zij zich op de strijdenden, en overtuigde hen, door den een bij zijn staart met geweld achteruit te trekken en den ander met een stok een slag op den neus te geven, van het recht van de sterkere.

Erika maakte het publiek uit. Zij lachte en amuseerde zich. Hare stemming wisselde snel, want hare dweperij was geen ziekelijke sentimentaliteit. Zij was eenvoudig noodwendigheid, zij voltooide een geheel. Wat de

Sluiten