Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nevels voor den aanbrekenden morgen zijn, is de dwepende gevoeligheid voor het dichterhart, men moet er door, wil men op de bergtoppen de zon zien Temidden van het rumoer der straten en het gewoel der balzalen vindt men geen idealen, men moet ze zelf verre van de wereld in het leven roepen en vormen. Daar zweven, lokken en bedriegen zij, evenals de Fata morgana. Men ziet ze vóór de oogen, maar men grijpt ze niet; wil men ze van nabij zien, dan vervloeien zij in niets. En nogtans brengen zij heil aan. Als doel wenken zij, als lieve wonderdoende beelden, welke den droom van alle smachtend verlangen verwerkelijken, — en terwijl men ze tracht te bereiken vergeet men den moeielijken, harden weg door de woestijn van een eenzaam leven.

Heeft men zich evenwel door de bezwaten, welke den weg tot de volmaking van den kunstenaar met doornen en distelen versperren, heen geworsteld, dan behoeft men de liefelijke begoocheling met meer Dan heeft de ziel eigene vleugels gekregen, de blik is helder en vrij geworden, om overal in Gods wijde wereld het volkomene te vinden, dat vonken van edele bezieling

in de harten strooit. , .

Het klokgelui was verstomd; Erika stond op, r(-'Kte met innig welgevallen de ronde armen uit en haalde

diep adem. , ,

Het was tijd aan huiswaarts keeren te denken. Ingevolge Wigands wensch had zij het oppertoezicht over de boterbereiding op zich genomen ; ook wilde zij er gaarne bij tegenwoordig zijn als Hagen de broeibedden in den tuin in orde bracht, en nu had zij, niettegenstaande den velen arbeid, hier gezeten en den tijd

verdroomd! ,

Snel zette zij den grooten, strooien hoed op, raapte den handschoen, welken zij bij het schrijven had uitgetrokken, uit het gras en knikte de kleine herderin toe. . 1

„Vaarwel, Doortje, ik moet naar huis. Denk aan

Sluiten