Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een opgewekten glimlach, steekt zij hem de hand toe. Warme hartelijkheid trilt er in haar stem, onbewimpelde verrukking spreekt er uit de groote kinderoogen.

Ja. ik ben het, neef Joel! en ik verheug mij onbeschrijfelijk in de verrassing, welke gij ons bereidt. Wees hartelijk welkom!"

Hij houdt haar kleine hand een seconde lang vast, doch nauwelijks sluit hij er de zijne om.

Zijn gelaat drukt niet de geringste vreugde, geen beminnelijkheid, niet eens eenige beleefdheid uit.

„Zoo zijn oorzaak en uitwerking verschillend, mijn waarde dame!" zegt hij spottend met een zweem van ironie. „Wat voor den een zijn uil is, is voor den ander zijn nachtegaal! men philosopheert hier te lande toch wel!"

Erika is nog zoo geheel onder den indruk van hare opgewondenheid, dat zij nauwelijks verstaat, wat hij zegt.

Daar hij ongegeneerd doorwandelt, loopt zij aan

zijn zijde mede.

„Wij verwachtten u Maandag eerst, wij zijn heden eigenlijk volstrekt niet op de ontvangst van een gast ingericht, gij moet het dus voor lief nemen.

Opnieuw de scherpe lijn om neus en lippen: „Wie een zoo gedwongen gast is, als ik, verwacht niets beters dan een 'kerker; ik verlang geen complimenten."

Wat klonk dat onhoffelijk en onaardig. Erika ont' stelde, maar tegelijkertijd vervulde haar de gedachte, hoe ongelukkig, hoe verbitterd een man moet zijn, dien men het beste en liefste, dat hij op de wereld bezit, heeft ontnomen. Haar hart trilde van medelijden.

„Gij komt met tegenzin tot ons, ik weet het!" klinkt haar stem zacht en innig, vol ongekunstelde vertrouwelijkheid hem tegen; „Wigand heeft ons toch verteld, welk een zielsverdriet men u met dit verblijf berokkent ! Maar word niet moedeloos! Verlies het vertrouwen en de opgeruimdheid niet, het zal bepaald alles nog terecht komen....

Een schelle, korte schaterlach doet haar verstommen.

Sluiten