Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wigand staarde somber vóór zich uit. „Onbegrijpelijk, 't is zonde en schande! Wat zou ik er niet voor geven, indien ik nog een vader op de wereld bezat, wiens trouwe handen mijn levensweg effenden, op de knieën zou ik God in den Hemel danken ! en hij verzet zich met kwajongensachtigen trots tegen het teederste en liefdevolste hart. Dat kan geen zegen aanbrengen."

„Nooit in der eeuwigheid!"

„O Oom, en indien hij slecht genoeg was, om uit louter spel en verveling onze Erika ongelukkig te

maken ik geloof God vergeve me de zonde

dat ik hem daarom zou haten...." Hij streek met de bevende hand over het voorhoofd, waarop de zweetdroppels parelden.

De Overste was al te zeer met zijne gedachten vervuld, om daarop te letten. „Onzin, het meisje is zoo dwaas niet," mompelde hij in zichzelf, „zij zal hem doorzien."

„Ik zie op tegen den brief, welken ik den Geheimraad schrijven moet. Hij verlangt elke vier weken bericht, rondborstig en waar, en, ach, die berichten worden telkens wanhopiger. Joël is niet meer de knaap van vroeger, mijn invloed is gelijk nul."

„Je bent te vriendelijk voor hem, wees grof!

Wigand lachte flauw. „Dat zou het zekerste middel zijn, om hem als vagebond en deserteur de wereld in te jagen."

„Rampzalige, onhandelbare knaap!"

Mevrouw Henriette trad binnen. De Overste boog zich over zijn boek, en Wigand greep naar zijn hoed, om zich te verwijderen.

De hitte der maand Juli was schier onverdragelijk.

Geen zuchtje was waar te nemen, er heerschte een verblindende, broeiende zonnegloed. Het vee stond met hangende koppen, de vlinders hingen roerloos aan de bloemen.

Moeder Doortje zat vóór de huisdeur in de schaduw

Sluiten