Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo geacht en geëerd als Wigand in het gansche dorp was, zoo weinig gezien had zich in korten tijd reeds zijn neef gemaakt. Zijn hoogmoed, zijn meedoogelooze spotlust met alles, wat den wakkeren heideontginners heilig en dierbaar was, verbitterde de

gemoederen. .

Hij bekommerde zich daarom volstrekt niet. Hij haatte zijn ballingschap en alles, wat daarmede in verband stond. Hij vertrad onder de voeten, wat hem niet der moeite waard scheen opgeraapt te worden.

Toen Wigand in de richting der stalgebouwen was verdwenen, stond moeder Hagen op, schudde het radijsloof van haar schort in den bruinen, steenen schotel, wierp het mes er bij en liep stil den bloemtuin in.

Op haar gezicht stonden kabbalistische teekens en alleen hij, die uitstekend op de hoogte der gelaatkunde was, wist ze te verklaren.

Maar daartoe was er niemand aanwezig, zij liep alleen en onopgemerkt in den zonnegloed. Verder buiten, bijna aan het einde van den tuin, stond een bruine beuk. De voormalige bezitter van het groote landgoed Ellerndörp had hem, waarschijnlijk in een dichterlijke bui, tegelijk met de vele ooftboomen geplant. Toen Koltitz de pachthoeve kocht en het nieuwe heerenhuis liet bouwen, lette hij voornamelijk op den reeds bestaanden aanleg en was er op bedacht, zooveel boomen, heesters en sierplanten als maar mogelijk was te behouden. Ook de krachtig opgegroeide bruine beuk moest vader Hagen aan dat doel dienstbaar maken.

Zijne laaghangende takken werden door een ijzeren traliewerk, dat met pompoen- en klimopplanten was begroeid, ondersteund en vormden het schier ondoordringbaar schaduwrijke dak van een priëel, waarvan Erika zooveel hield.

Daarheen richtte moeder Hagen hare schreden.

Juist, het gehate vioolgekras van den jongen Eikhoff klinkt haar reeds uit de verte tegen.

Sluiten