Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij stond op en staarde met doffen blik in de ledige ruimte. Thans was alles uit.

Waarlijk? Waarlijk? Had Doortje niet gezegd, dat zij den marter uit de duiventil had verjaagd? Voorkwam zij wellicht juist bijtijds een verklaring der jongelieden? En op welken grond? Waarom houdt zij Joël voor een roofzuchtigen, gevaarlijken indringer ? Waarom vreest zij een kwaad einde?

Wigand drukt luid stenende de hand vóór de oogen. Wijl die onontwikkelde, eenvoudige vrouw den zoon van den Geheimraad ook reeds heeft doorzien, wijl zij begreep, dat hij het niet oprecht en eerlijk meent. O, Heer des Hemels! is dan Joël inderdaad een zoo onaangenaam mensch, dat zelfs de eenvoud van het land hem dus veroordeelt? Erika bemint hem toch! Hoe kon haar engelrein gemoed behagen scheppen in een man, die die reine liefde niet verdient? Moest zij het niet als door instinct voelen, dat hij als vijand van haren vrede is gekomen?

Raadselachtig! Haar menschenkennis, haar helder, juist oordeel konden haar niet op die manier in den steek laten; Wigand evenwel heeft zijn helderen blik verloren, doordien ijverzucht en nijd zijn hart vergiftigd hebben.

De edelaardigheid strijdt tegen zijn betere overtuiging; zijn beter ik komt er tegen op, uit eigen vooroordeel en anderer afkeer voordeel te trekken. Erika bemint hem! Reeds om harentwil mag hij het geloof aan Joël niet opgeven!

HOOFDSTUK VI.

Erika had haar werkmand haastig in het voorhuis neergezet, doch was daarop naar de deur teruggekeerd en had een vluchtigen blik op den hemel geslagen.

Sluiten