Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zooeven nog uit levenslustig schitterende oogen had gekeken, lag in diepe rust.

Het lindeboompje, dat zijne takken vriendelijk om de vensters van Erika's kamertje vlocht, stond roerloos. Geen blaadje trilde, alleen fijne, lieflijke geur drong als een levendige groet door de geopende ramen binnen.

Lang,, zeer lang brandde de lamp. Het gansche huis lag reeds sinds uren in een stille rust, doch in de kamer van het jonge meisje arbeidde een vurige, hemelhoog jubelende ziel aan het eerste lied eener door God begenadigde poëzie.

Erika schreef, schreef met gloeiende wangen en snel kloppend hart.

Vóór haar lagen ettelijke operateksten. Zij had die nog eens nauwkeurig doorgezien en bestudeerd, om lengte en indeeling van een libretto te leeren kennen. En daarop ging zij aan het werk.

Wat zij schreef, was niet op de jaarmarkt der groote wereld afgeluisterd, het was een giftig zoete, bloedroode roos der liefde, welke, ver verwijderd van den grooten weg, hier in Ellerndörp haar kelk had ontsloten. De kern van het voorval had moeder Doortje bij zekere gelegenheid in de keuken verteld, toen een vermetele daad van Fritsje het dorp weder eens in opschudding had gebracht.

Het was jaren geleden. Een koude, stormachtige winternacht. De postwagen had vóór de herberg stilgehouden, een bleeke vrouw met zwarte oogen was er uitgestegen. Zij droeg een kind op den arm, een ziek, door en door ziek kind.

Zij smeekte, dat men haar in de herberg zou opnemen.

De lange Pinken wierp een blik op den kranken knaap. „God beware me!" riep zij uit, „de kleine heeft toch het roodvonk!"

En daar zij zelf kinderen in huis had, was geen bidden en smeeken in staat haar van besluit te doen veranderen. Half wanhopig van angst, waggelde deongelukkige moeder van huis tot huis, doch de Ellern

Sluiten