Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niemand zal van hem dezelfde innige openbaringen verlangen, zooals liefde zich alleen tegenover de liefde gedraagt, maar niemand zal zich ook verwonderen, als die liefde voor de gansche wereld de uitverkorene met onderscheiding behandelt en met teedere hulde omringt, integendeel, men verlangt het ten teeken van oprechte genegenheid.

Maar Joël praat met twee tongen. De eene er van is valsch.

Wigand richt zich steunend op. Het maanlicht beschijnt zijne hooge, reusachtige gestalte, het blonde hoofd met het heldere, eerlijke voorhoofd. Diepe voren rimpelen het op dit oogenblik en de gebalde vuisten, welke hij, als in heiligen toorn, ten hemel heft, sidderen.

Wat Joël hem aan geluk en zaligheid ontnomen heeft, dat vergeeft hij hem ter wille der geliefde; zonder klacht, zonder verzet zal hij alles laten varen en opofferen — voor haar. Maar wee den gewetenlooze, indien hij ook tegenover het trouwste, zuiverste meisjeshart een verrader wordt!

Wigand schudt de haren wild van het voorhoofd, zijne oogen vlammen somber dreigend.

Dan zal het worstelen en wreken zijn, dan zal zijn vuistslag den ellendeling verpletteren.

Eén vernietigd geluk is genoeg. Wat men hem ontnomen heeft, vordert hij voor Erika terug.

De volgende dag is triestig en bewolkt.

Een nieuwe aanval van pijn kluistert den Overste aan het bed.

Wigand zit alleen in zijn kamer en schrijft brieven, welke heden, den dag, waarop de post vertrekt, door den brievenbesteller afgehaald worden.

De deur achter Wigand wordt opengerukt en de wind smijt ze achter Joël weder in het slot. Gloeiend, zwaar ademhalend van toorn staat Eikhoff vóór hem.

„Wigand," zegt hij met gejaagde stem, „ik moet de koetspaarden hebben, ik moet naar het spoor!"

Sluiten